Geliefde broeders en zusters!
Vandaag vertelt Christus ons de gelijkenis over een koning die een bruiloftsfeest voor zijn zoon organiseerde.
Voor de mensen in die tijd was een bruiloftsmaal iets heel bijzonders - een beeld van vreugde, overvloed en verbondenheid.
En juist dit beeld kiest Christus wanneer Hij spreekt over het Koninkrijk der Hemelen.
Geen rechtszaal.
Geen zware verplichting.
Maar een bruiloft.
Een feestmaal.
De vreugde van de ontmoeting.
God heeft alles bereid en zegt tegen de mens: 'Kom.'
Maar de genodigden komen niet.
De een gaat naar zijn akker, de ander naar zijn handel.
Daar is op zichzelf niets verkeerds aan.
Het land moet bewerkt worden, er moet gewerkt worden en er moet voor het gezin worden gezorgd.
Het probleem begint wanneer dit alles belangrijker wordt dan Degene Die ons het leven zelf heeft gegeven.
Ook wij zeggen maar zelden tegen God: 'Ik wil U niet.'
Veel vaker zeggen wij: 'Niet vandaag. Ik heb het nu druk. Later.'
Soms is het genoeg om God steeds maar weer uit te stellen tot later, om langzaam van Hem verwijderd te raken.
Maar de koning annuleert het bruiloftsfeest niet.
Hij stuurt zijn dienaren naar de wegen en beveelt hen iedereen uit te nodigen die zij tegenkomen.
En het Evangelie benadrukt dat zij 'zowel slechten als goeden' bijeenbrachten.
Dit is heel belangrijk.
De Kerk is geen gemeenschap van mensen die al heilig zijn geworden.
Het is een gemeenschap van mensen die door God geroepen zijn om heilig te worden.
Hij vindt ons met onze zwakheden, onze fouten, onze wonden en ons verleden.
Maar dan verschijnt het moeilijke beeld van het bruiloftskleed.
Als de koning zelf opdracht heeft gegeven om mensen zomaar van de weg uit te nodigen, waarom vraagt hij dan aan een van de gasten:
'Vriend, hoe ben je hier binnengekomen zonder bruiloftskleed?'
Juist hier wordt de diepte van deze gelijkenis zichtbaar.
God aanvaardt mij zoals Hij mij vindt.
Maar Zijn liefde laat mij niet zoals ik was.
God zegt: 'Kom zoals je bent.'
Maar Hij zegt nooit: 'Blijf zoals je bent.'
De ontmoeting met Christus moet iets in een mens veranderen.
De apostel Paulus zegt:
'U allen die in Christus gedoopt bent, hebt u met Christus bekleed.'
Wij kennen deze woorden goed, omdat wij ze horen tijdens het sacrament van de Doop.
En dan wordt het beeld van het bruiloftskleed bijzonder duidelijk.
Een christen is iemand die zich geleidelijk aan met Christus moet bekleden.
Niet alleen een kruis dragen.
Niet alleen gebeden kennen.
Niet alleen naar de kerk komen.
Maar Christus toestaan zijn hart te veranderen.
De heilige Augustinus spreekt over het bruiloftskleed als beeld van de liefde.
Want we kunnen veel over God weten - en toch niet liefhebben.
We kunnen op de juiste manier vasten - en toch anderen veroordelen.
We kunnen de waarheid verdedigen - en daarbij een ander verwonden.
We kunnen veel bidden - en jarenlang niet vergeven.
We kunnen in de Kerk zijn - en toch nooit leren om de pijn te zien van de mens die naast ons staat.
Daarom is de vraag van Christus vandaag niet alleen:
'Ben je gekomen?'
Maar:
'Wat is er met je hart gebeurd nadat je gekomen bent?'
Is er in de jaren van ons christelijk leven meer liefde in ons gekomen?
Zijn wij geduldiger geworden met de zwakheden van anderen?
Is het gemakkelijker geworden om te vergeven?
Veroordelen wij minder?
Is er meer barmhartigheid in ons hart gekomen?
En uiteindelijk: is er meer van Christus in ons gekomen?
Dat is de vraag van het bruiloftskleed.
En dan begrijpen wij dat de gelijkenis van vandaag zich niet alleen ergens in een ver verleden afspeelt.
Zij vindt vandaag plaats. Hier.
Want iedere Goddelijke Liturgie is ook een feestmaal waar de Heer ons bijeenbrengt.
Wij komen hier vanuit verschillende wegen en na heel verschillende weken.
De een komt met vreugde.
De ander is uitgeput.
De een komt met dankbaarheid.
En een ander met pijn waarvan niemand die naast hem staat iets weet.
En de Heer brengt ons allen samen rond een Tafel.
Straks zal de heilige Kelk voor ons verschijnen.
En wij zullen horen:
'Nadert met vreze Gods, geloof en liefde.'
Opnieuw - met liefde.
Wij naderen niet omdat wij zonder zonde zijn geworden.
Niet omdat wij het al waardig zijn.
Maar omdat wij Christus nodig hebben.
En aan deze Tafel geeft de Heer ons niet slechts iets van Zichzelf.
Hij geeft ons Zichzelf - Zijn Lichaam en Zijn Bloed.
Wij naderen de Kelk opdat Christus niet alleen voor ons zou zijn - op de icoon, in het Evangelie, in onze gebeden.
Wij ontvangen Hem in onszelf.
En misschien krijgen juist hier de woorden hun diepste betekenis:
'U hebt u met Christus bekleed.'
Wij ontvangen Christus opdat Zijn leven ons leven wordt.
Zijn barmhartigheid - onze barmhartigheid.
Zijn vergeving - onze vergeving.
Zijn liefde - onze liefde.
Geliefde broeders en zusters,
de Heer wacht niet totdat wij volmaakt zijn geworden voordat Hij ons tot Zich roept.
Hij heeft ons al gevonden op onze wegen.
Hij heeft ons al in Zijn huis gebracht.
Hij heeft de Tafel al bereid.
Laten wij daarom tot Hem komen zoals wij zijn, maar laten wij niet bang zijn Hem toe te staan ons te veranderen.
En wanneer wij vandaag tot de heilige Kelk naderen, kunnen wij in stilte tegen Hem zeggen:
Heer, ik ben gekomen zoals ik ben.
Maar laat mij niet blijven zoals ik ben.
Bekleed mij met Uzelf.
Leer mij Uw barmhartigheid.
Uw vergeving.
Uw geduld.
Uw liefde.
Opdat Christus, Die wij in de heilige Kelk ontvangen, zichtbaar wordt in ons leven.
En opdat het feestmaal waaraan de Heer ons vandaag al laat deelnemen in de Goddelijke Liturgie, op een dag voor ons mag voortgaan in Zijn Koninkrijk - in een vreugde die nooit meer eindigt.
Amen.
Dear brothers and sisters!
Today Christ tells us the parable of a king who prepared a wedding feast for his son.
For the people of that time, a wedding banquet was a very special event - an image of joy, abundance, and fellowship.
And this is precisely the image Christ chooses when He speaks about the Kingdom of Heaven.
Not a courtroom.
Not a heavy obligation.
But a wedding.
A feast.
The joy of meeting one another.
God has prepared everything and says to the human person: "Come."
But those who were invited do not come.
One goes to his field, another to his business.
There is nothing wrong with these things in themselves.
The field needs to be worked, business needs attention, and a family needs to be cared for.
The problem begins when all of this becomes more important than the One who gave us life itself.
We too rarely say to God, "I do not want You."
More often we say, "Not today. I have too much to do. Later."
Sometimes, in order to gradually drift away from God, it is enough simply to keep putting Him off until later.
But the king does not cancel the wedding feast.
He sends his servants out to the roads and tells them to invite everyone they find.
And the Gospel emphasizes that they gathered "both bad and good."
This is very important.
The Church is not a gathering of people who have already become saints.
It is a gathering of people whom God has called to become saints.
He finds us with our weaknesses, our mistakes, our wounds, and our past.
But then we encounter the difficult image of the wedding garment.
If the king himself ordered people to be invited directly from the roads, why does he ask one of the guests:
"Friend, how did you come in here without a wedding garment?"
It is precisely here that the depth of this parable begins to open before us.
God accepts me as He finds me.
But His love does not leave me as I was.
God says: "Come as you are."
But He never says: "Remain as you are."
An encounter with Christ must change something within us.
The Apostle Paul says:
"As many of you as have been baptized into Christ have put on Christ."
We know these words well because we hear them during the Sacrament of Baptism.
And then the image of the wedding garment becomes especially clear.
A Christian is someone who must gradually put on Christ.
Not merely wear a cross.
Not merely know prayers.
Not merely come to church.
But allow Christ to change the heart.
Blessed Augustine speaks of the wedding garment as an image of love.
Because we can know much about God - and still fail to love.
We can fast correctly - and still judge others.
We can defend the truth - and wound another person while doing so.
We can pray much - and refuse to forgive for years.
We can be in the Church - and still never learn to see the pain of the person standing beside us.
Therefore Christ's question to us today is not only:
"Have you come?"
But:
"What has happened to your heart since you came?"
Over the years of our Christian life, has there been more love within us?
Have we become more patient with the weaknesses of others?
Has it become easier for us to forgive?
Do we judge less?
Has there been more mercy in our hearts?
And ultimately - is there more of Christ within us?
This is the question of the wedding garment.
And then we understand that today's parable is not taking place only somewhere in the distant past.
It is taking place today. Here.
Because every Divine Liturgy is also a feast at which the Lord gathers us together.
We come here from different roads and after very different weeks.
One person comes with joy.
Another comes exhausted.
One comes with gratitude.
Another comes carrying a pain that no one standing beside them even knows about.
And the Lord gathers all of us around one Table.
In a little while, the Holy Chalice will appear before us.
And we will hear:
"With the fear of God, faith, and love, draw near."
Again - with love.
We approach not because we have become sinless.
Not because we are already worthy.
But because we need Christ.
And at this Table the Lord does not merely give us something of Himself.
He gives us Himself - His Body and His Blood.
We approach the Chalice so that Christ may not remain only before us - in the icon, in the Gospel, in our prayers.
We receive Him into ourselves.
And perhaps it is precisely here that these words reveal their deepest meaning:
"You have put on Christ."
We receive Christ so that His life may become our life.
His mercy - our mercy.
His forgiveness - our forgiveness.
His love - our love.
Dear brothers and sisters,
the Lord does not wait until we become perfect before He calls us to Himself.
He has already found us on our roads.
He has already brought us into His house.
He has already prepared the Table.
So let us come to Him as we are, but let us not be afraid to allow Him to change us.
And when we approach the Holy Chalice today, we can quietly say to Him:
Lord, I have come as I am.
But do not let me remain as I am.
Clothe me with Yourself.
Teach me Your mercy.
Your forgiveness.
Your patience.
Your love.
So that Christ, whom we receive in the Holy Chalice, may become visible in our lives.
And may the feast to which the Lord already admits us today in the Divine Liturgy one day continue for us in His Kingdom - in a joy that will never end.
Amen.